-
1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport;
b. substantie: stof van menselijke, dierlijke, plantaardige of chemische oorsprong, daaronder begrepen dieren, planten, delen van dieren of planten, alsmede micro-organismen;
c. preparaat: een vast of vloeibaar mengsel van substanties;
d. middel: substantie of preparaat;
e. Enkelvoudig Verdrag: het op 30 maart 1961 te New York tot stand gekomen Enkelvoudig Verdrag inzake verdovende middelen ( 1963, 81), zoals gewijzigd bij het op 25 maart 1972 te Genève tot stand gekomen Protocol tot wijziging van dat verdrag ( 1987, 90);
f. Psychotrope Stoffen Verdrag: het op 21 februari 1971 te Wenen tot stand gekomen Verdrag inzake psychotrope stoffen ( 1989, 129);
g. Kaderbesluit 2004/757/JBZ: Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad van 25 oktober 2004 betreffende de vaststelling van minimumvoorschriften met betrekking tot de bestanddelen van strafbare feiten en met betrekking tot straffen op het gebied van de illegale drugshandel (PbEU 2004, nr. L 335), zoals laatstelijk gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2017/2103 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 tot wijziging van het Kaderbesluit 2004/757/JBZ van de Raad teneinde psychoactieve stoffen in de definitie van «drug» op te nemen en tot intrekking van Besluit 2005/387/JBZ van de Raad;
h. Besluit 2005/387/JBZ: Besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen (PbEU 2005, L 127);
i. Verdrag tegen sluikhandel: het op 20 december 1988 tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1989, 97);
j. Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel: het op 31 januari 1995 te Straatsburg tot stand gekomen Verdrag inzake de sluikhandel over zee, ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 2010, 165 en 239);
k. groep van substanties die afgeleid is van eenzelfde structuur.
2. Voor toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de zouten van de substanties met die substanties gelijkgesteld.
3. Voor de toepassing van deze wet wordt onder vervaardigen begrepen raffineren en omzetten.
4. Onder binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de , , en , is begrepen: het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn. (zie: artikelen 2, 2a, eerste lid, 3)
5. Onder buiten het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de , , en , is begrepen: het buiten het grondgebied van Nederland brengen van de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn en het met bestemming naar het buitenland vervoeren, ten vervoer aannemen of ten vervoer aanbieden, het ten uitvoer dan wel ten wederuitvoer aangeven, daaronder begrepen het doen van een summiere aangifte bij uitgaan of het in kennis stellen van de wederuitvoer, in de zin van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PbEU 2013, L 269) of het in, op of aan een naar het buitenland bestemd vaar-, voer- of luchtvaartuig aanwezig hebben van die middelen, of van die voorwerpen of goederen. (zie: artikelen 2, 2a, eerste lid, 3)
-
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende dan wel aangewezen krachtens : (zie: lijst I, artikel 3a, vijfde lid)
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.
-
1. Het is verboden een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij deze wet behorende of een preparaat daarvan: (zie: lijst IA)
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.
2. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op:
a. een geneesmiddel waarvoor een handelsvergunning is verleend als bedoeld in , of een geneesmiddel als bedoeld in artikel 40, derde lid, van die wet; (zie: artikel 40, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet)
b. een fabrikant als bedoeld in of een groothandelaar als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel nn, van die wet; (zie: artikel 1, eerste lid, onderdeel mm, van de Geneesmiddelenwet)
c. een fabrikant of groothandelaar van werkzame stoffen die is geregistreerd als bedoeld in ; (zie: artikel 38 van de Geneesmiddelenwet)
d. een apotheker of huisarts die geneesmiddelen bereidt als bedoeld in ; (zie: artikel 40, derde lid, onder a, van de Geneesmiddelenwet)
e. een diergeneesmiddel waarvoor een vergunning is verleend voor het in de handel brengen krachtens ; (zie: artikel 2.19 van de Wet dieren)
f. een fabrikant aan wie krachtens een vergunning is verleend voor het vervaardigen van diergeneesmiddelen; (zie: artikel 2.19 van de Wet dieren)
g. een groothandel aan wie krachtens een vergunning is verleend voor de handel van diergeneesmiddelen; (zie: artikel 2.19 van de Wet dieren)
h. een geregistreerde stof genoemd in Bijlage I bij van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU 2004, L 47); (zie: Verordening (EG) nr. 273/2004)
i. een geregistreerde stof genoemd in de Bijlage bij van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU 2005, L 22); of (zie: Verordening (EG) nr. 111/2005)
j. een middel als bedoeld in de en . (zie: artikelen 2, 3)
3. Een wijziging van Bijlage I bij van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren (PbEU 2004, L 47) of de Bijlage bij van de Raad van 22 december 2004 houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Gemeenschap en derde landen in drugsprecursoren (PbEU 2005, L 22) gaat voor toepassing van dit artikel gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijziging uitvoering moet zijn gegeven. (zie: Verordening (EG) nr. 273/2004, Verordening (EG) nr. 111/2005)
-
Het is verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende dan wel aangewezen krachtens : (zie: lijst II, artikel 3a, vijfde lid)
A. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
B. te telen, te bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren;
C. aanwezig te hebben;
D. te vervaardigen.
-
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden aan de bij deze wet behorende of middelen toegevoegd indien deze onder de werking van het Enkelvoudig Verdrag of het Psychotrope Stoffen Verdrag worden gebracht of uit hoofde van de uit het Kaderbesluit 2004/757/JBZ of het Besluit 2005/387/JBZ voortvloeiende verplichting onder de werking van deze wet dienen te worden gebracht. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen van of middelen worden geschrapt indien deze aan de werking van de in de eerste volzin bedoelde verdragen worden onttrokken dan wel indien de in die volzin bedoelde verplichting uit hoofde van het Kaderbesluit 2004/757/JBZ of het Besluit 2005/387/JBZ komt te vervallen. (zie: lijst I, lijst II, lijst I, II)
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen aan of middelen worden toegevoegd indien is gebleken dat deze het bewustzijn van de mens beïnvloeden en bij gebruik door de mens kunnen leiden tot schade aan zijn gezondheid en schade voor de samenleving. (zie: lijst I, lijst II)
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden middelen die krachtens het tweede lid zijn toegevoegd, van of geschrapt indien is gebleken dat zij de in het tweede lid bedoelde eigenschappen niet of niet meer bezitten. (zie: lijst I, lijst II)
4. Een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, wordt niet vastgesteld dan nadat vier weken zijn verstreken nadat het ontwerp van de maatregel is overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal en binnen die termijn niet door of namens een van beide Kamers de wens te kennen wordt gegeven dat het in het ontwerp van de maatregel geregelde onderwerp wordt geregeld bij wet.
5. Indien naar het oordeel van Onze Minister handelingen als bedoeld in of ten aanzien van een middel onverwijld moeten worden verboden en de totstandkoming van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste of tweede lid niet kan worden afgewacht, kan het middel daartoe bij ministeriële regeling worden aangewezen. Onze Minister draagt ervoor zorg dat tegelijk met de vaststelling van deze ministeriële regeling het ontwerp van een algemene maatregel van bestuur met dezelfde inhoud ter beoordeling aan de ministerraad wordt aangeboden. De ministeriële regeling blijft, behoudens eerdere intrekking, van kracht totdat de algemene maatregel van bestuur waarbij het betreffende middel wordt aangewezen in werking treedt, doch uiterlijk tot een jaar na het inwerkingtreden van de regeling. (zie: artikel 2, 3)
-
1. Bij algemene maatregel van bestuur kan aan de bij deze wet behorende een stofgroep worden toegevoegd indien twee of meer substanties die deel uitmaken van die stofgroep zijn of worden toegevoegd aan de bij deze wet behorende lijst I. (zie: lijst IA)
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen stofgroepen die bij of krachtens deze wet zijn toegevoegd, van worden geschrapt indien substanties die deel uitmaken van die stofgroep zijn of worden geschrapt van lijst I. (zie: lijst IA)
3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt een stofgroep die bij of krachtens deze wet is toegevoegd, van geschrapt indien substanties die deel uitmaken van die stofgroep zijn of worden geschrapt van lijst I en daardoor niet langer twee of meer substanties die deel uitmaken van die stofgroep zijn of worden toegevoegd aan . (zie: lijst IA, lijst I)
4. De voordracht voor een krachtens het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
-
1. Elke openbaarmaking, welke er kennelijk op is gericht de verkoop, aflevering of verstrekking van een middel als bedoeld in de , , of , te bevorderen, is verboden. (zie: artikelen 2, 2a, eerste lid, 3)
2. Het in het eerste lid vervatte verbod geldt niet ter zake van openbaarmaking in het kader van medische of wetenschappelijke voorlichting.
-
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen middelen en toepassingen worden aangewezen waarvoor een in de , , of omschreven verbod geheel of ten dele niet geldt. (zie: artikelen 2, 2a, eerste lid, 3)
2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot middelen als bedoeld in of regels worden gesteld om naleving van de bepalingen van het Enkelvoudig Verdrag of het Psychotrope Stoffen Verdrag te verzekeren of om misbruik van die middelen te voorkomen. (zie: lijst I, II)
-
1. Het is verboden een middel als bedoeld in of voor te schrijven op recept, tenzij het middel daartoe, in het belang van de volksgezondheid, is aangewezen bij algemene maatregel van bestuur. Bij de maatregel kunnen voorschriften worden gesteld ter zake van het recept en het doel waarvoor een middel wordt voorgeschreven. (zie: lijst I, II)
Een krachtens de eerste volzin vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst.
Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal. In het belang van de volksgezondheid kan, in afwijking van de eerste volzin, bij ministeriële regeling een middel worden aangewezen dat mag worden voorgeschreven op recept, zolang het middel tevens is aangewezen krachtens . (zie: artikel 3a, vijfde lid)
2. Het bestellen van een middel als bedoeld in of , door: (zie: lijst I, II)
geschiedt met inachtneming van bij ministeriële regeling vastgestelde voorschriften.
a. beroepsbeoefenaren als bedoeld in , (zie: artikel 5, eerste lid)
b. instellingen en personen als bedoeld in , en (zie: artikel 5, tweede lid en derde lid)
c. houders van een ontheffing als bedoeld in , (zie: artikel 6)
3. Het is verboden ter verkrijging van enig middel, in en bedoeld: (zie: lijst I, II)
a. een vals of vervalst recept aan te bieden;
b. een recept aan te bieden, waarin een andere naam of een ander adres is vermeld dan de naam of het adres van degene te wiens behoeve het recept is voorgeschreven.
-
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden voorschriften gesteld ter zake van het afleveren van krachtens aangewezen middelen. Onverminderd deze algemene maatregel van bestuur, is het verbod op het bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van een middel bedoeld in of , niet van toepassing op: (zie: artikel 4, lijst I, II)
a. apothekers en apotheekhoudende artsen indien zij krachtens , aangewezen middelen voor geneeskundige doeleinden bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben en deze werkzaamheden geschieden binnen de normale beroepsuitoefening; (zie: artikel 4, eerste lid)
b. dierenartsen, indien zij de krachtens aangewezen middelen voor diergeneeskundige doeleinden verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben. (zie: artikel 4)
2. De verboden inzake het verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van middelen als bedoeld in of , zijn voorts niet van toepassing op daartoe bij algemene maatregel van bestuur aangewezen instellingen en op hen die de desbetreffende middelen in de aanwezige hoeveelheid tot uitoefening van de geneeskunst, de tandheelkunde of de diergeneeskunde, dan wel voor eigen geneeskundig gebruik behoeven of krachtens wettelijk voorschrift in voorraad moeten hebben en langs wettige weg hebben verkregen. (zie: lijst I, II)
3. Voorts kunnen, indien een noodtoestand als bedoeld in is afgekondigd, bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister, andere instellingen of personen dan die, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden aangewezen voor wie de verboden inzake het verstrekken, vervoeren of aanwezig hebben van middelen als bedoeld in of , niet van toepassing zijn. Deze aanwijzing kan worden beperkt tot bepaalde gebieden en bepaalde middelen. Voorts kunnen aan de aanwijzing nadere voorschriften worden verbonden. De aanwijzing vervalt van rechtswege indien de noodtoestand wordt beëindigd, en kan voorts worden ingetrokken bij koninklijk besluit, op voordracht van Onze Minister. (zie: lijst I, II, artikel 1, eerste lid, van de Coördinatiewet uitzonderingstoestanden)
4. De verboden inzake het vervoeren of aanwezig hebben zijn bovendien niet van toepassing op hen die de middelen vervoeren of daartoe aanwezig hebben in opdracht van degene die tot zodanig vervoer bevoegd is.
-
1. Onze Minister kan, met inachtneming van , ontheffing verlenen van een verbod als bedoeld in de , , of . Hij kan voorts een ontheffing verlengen, wijzigen, aanvullen of intrekken. (zie: artikel 8i, eerste lid, artikelen 2, 2a, eerste lid, 3)
2. Een ontheffing of een verlenging daarvan wordt verleend voor ten hoogste vijf jaren, met dien verstande dat een ontheffing van een verbod als bedoeld in , of , wordt verleend per geval en voor ten hoogste zes maanden. (zie: artikel 2, onder A, artikel 3, onder A)
3. Onze Minister stelt de aanvrager van een ontheffing of van een verlenging daarvan binnen drie maanden na ontvangst van de aanvraag in kennis van zijn beslissing.
-
Onze Minister kan machtiging verlenen aan een bestuursorgaan tot afgifte op aanvraag van een schriftelijke verklaring inhoudende dat de aanvrager uitsluitend ten behoeve van zijn eigen geneeskundig gebruik een middel als bedoeld in of mag vervoeren of aanwezig hebben. (zie: lijst I, II)
-
1. Voor de behandeling van een aanvraag voor een ontheffing of een wijziging, aanvulling of verlenging daarvan, kan een vergoeding worden geheven. Voor de behandeling van een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in , is geen vergoeding verschuldigd. (zie: artikel 8i, tweede lid)
2. Voor een ontheffing kan jaarlijks een vergoeding worden geheven. Het eerste lid, tweede volzin, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot de jaarlijkse vergoeding.
3. De hoogte van de vergoedingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld en kan per categorie van ontheffing verschillend worden vastgesteld. Indien een ontheffing voor een periode korter dan een jaar geldt, wordt de vergoeding, bedoeld in het tweede lid, naar evenredigheid op een lager bedrag vastgesteld.
-
-
1. Een ontheffing van een verbod als bedoeld in de of kan slechts worden verleend of verlengd indien de aanvrager ten genoegen van Onze Minister heeft aangetoond: (zie: artikelen 2, 3)
a. dat daarmee het belang van de volksgezondheid of dat van de diergezondheid wordt gediend;
b. deze nodig te hebben voor het verrichten van wetenschappelijk of analytisch-chemisch onderzoek dan wel voor instructieve doeleinden, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet, of
c. deze nodig te hebben voor het verrichten van een handeling als bedoeld in of krachtens een overeenkomst met: (zie: artikel 2, 3)
1. een ander aan wie krachtens , een ontheffing is verleend; (zie: artikel 6, eerste lid)
2. een apotheker of apotheekhoudende arts;
3. een dierenarts;
4. een instelling of persoon, aangewezen krachtens ; (zie: artikel 5, tweede of derde lid)
5. een houder van een in een ander land verleende vergunning of ontheffing om de desbetreffende middelen in dat land in te voeren, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet;
d. deze nodig hebben voor industriële doeleinden teneinde een product te realiseren dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens deze wet.
2. Een ontheffing kan voorts worden verleend of verlengd indien de aanvrager deze nodig heeft voor het telen van cannabis krachtens een overeenkomst met Onze Minister.
3. Een ontheffing van een verbod als bedoeld in , kan slechts worden verleend indien de aanvrager ten genoegen van Onze Minister heeft aangetoond: (zie: artikel 2a, eerste lid)
a. dat daarmee het belang van de volksgezondheid of dat van de diergezondheid wordt gediend;
b. deze nodig te hebben voor het verrichten van wetenschappelijk of analytisch-chemisch onderzoek dan wel voor instructieve doeleinden, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet; of
c. deze nodig te hebben voor het verrichten van een handeling als bedoeld in , krachtens een overeenkomst met: (zie: artikel 2a, eerste lid)
1. een ander aan wie krachtens , een ontheffing is verleend; (zie: artikel 6, eerste lid)
2. een ander die in een ander land is gevestigd en die gerechtigd is de middelen in dat land in te voeren, voor zover het belang van de volksgezondheid zich hier niet tegen verzet;
d. deze nodig te hebben voor industriële doeleinden teneinde een product te realiseren dat voldoet aan de eisen gesteld bij of krachtens deze wet.
-
1. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden om naleving van de bepalingen van het Enkelvoudig Verdrag en het Psychotrope Stoffen Verdrag en de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften te verzekeren, of om misbruik van een middel als bedoeld in of of van een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in of een preparaat daarvan te voorkomen. (zie: lijst I, II, lijst IA)
2. In de ontheffing wordt ten minste vermeld:
a. voor welke van de verboden, als bedoeld in de , , of zij wordt verleend; (zie: artikelen 2, 2a, eerste lid, 3)
b. voor welke doeleinden zij wordt verleend;
c. op welk perceel of in welke lokaliteit de desbetreffende handelingen mogen plaatsvinden;
d. de wijze van opslag;
e. de wijze van beveiliging;
f. de manier waarop de voorraadadministratie is ingericht.
-
Een ontheffing of een verlenging daarvan wordt geweigerd indien de aanvrager ingevolge een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak onder curatele is gesteld dan wel zijn goederen onder bewind zijn gesteld.
-
1. Een ontheffing of een verlenging daarvan kan worden geweigerd in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in . (zie: artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur)
2. Met het oog op toepassing van het eerste lid, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in , om een advies als bedoeld in worden gevraagd. (zie: artikel 8 van de in het eerste lid genoemde wet, artikel 9 van die wet)
-
Een ontheffing wordt ingetrokken:
a. op aanvraag van de houder van de ontheffing;
b. indien het belang van de volksgezondheid dit vordert;
c. indien naar het oordeel van Onze Minister de doeleinden waarvoor de ontheffing is verleend niet meer gerealiseerd kunnen worden;
d. indien een krachtens , verschuldigde vergoeding niet binnen 30 dagen na heffing is voldaan en evenmin gevolg is gegeven aan de aanmaning van Onze Minister, gedaan na afloop van die termijn, om alsnog binnen acht dagen te betalen. (zie: artikel 7, tweede lid)
-
1. Een ontheffing kan worden ingetrokken:
a. indien de houder van de ontheffing handelt in strijd met een bij of krachtens deze wet gesteld voorschrift;
b. in het geval en onder de voorwaarden, bedoeld in . (zie: artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur)
2. Met het oog op toepassing van het eerste lid, onder b, kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, bedoeld in , om een advies als bedoeld in worden gevraagd. (zie: artikel 8 van de in het eerste lid, onder b, genoemde wet, artikel 9 van die wet)
-
1. Degene wiens ontheffing wordt ingetrokken ontdoet zich van de middelen waarop de ontheffing betrekking heeft, gedurende het tijdvak, gelegen tussen de mededeling van de intrekking en de laatste dag waarop de ontheffing geldt. Hij ontdoet zich van die middelen hetzij door vernietiging, hetzij door overdracht aan personen, rechtspersonen daaronder begrepen, die bevoegd zijn tot het verrichten van handelingen als bedoeld in de , , of . (zie: artikelen 2, 2a, eerste lid, 3)
2. In afwijking van het eerste lid, ontdoet de houder van een ontheffing voor de teelt van hennep zich van de middelen waarop de ontheffing betrekking heeft, hetzij door vernietiging van die middelen, hetzij door overdracht daarvan aan Onze Minister.
-
Een ontheffing vervalt:
a. door het overlijden van de houder;
b. indien ingevolge een onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak de houder van de ontheffing onder curatele is gesteld dan wel zijn goederen onder bewind zijn gesteld;
c. indien de rechtspersoon aan wie de ontheffing is verleend, wordt ontbonden, fuseert en niet de verkrijgende rechtspersoon is, of wordt gesplitst.
-
Onze Minister draagt ervoor zorg dat:
a. in Nederland voldoende hennep wordt geteeld voor wetenschappelijk onderzoek naar de geneeskundige toepassing van hennep, hasjiesj en hennepolie of voor de productie van geneesmiddelen;
b. de geteelde hennep, bedoeld onder a, wordt gebruikt voor een onder a genoemd doel.
-
1. Onze Minister verleent niet meer ontheffingen van het verbod tot teelt van hennep dan nodig is voor de in bedoelde doeleinden en voor de veredeling van hennep. (zie: artikel 8h)
2. Een ontheffing van het verbod op het telen van hennep dan wel tot het verwerken, bewerken of vervoeren van hennep, hasjiesj en hennepolie voor de in genoemde doeleinden, wordt slechts verleend aan degene met wie Onze Minister ter zake een overeenkomst tot het verrichten van zodanige handelingen aangaat. (zie: artikel 8h)
3. Een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid eindigt van rechtswege met ingang van de datum waarop de aan de wederpartij verleende ontheffing wordt ingetrokken of vervalt.
4. In een overeenkomst als bedoeld in het tweede lid, wordt in elk geval bepaald dat de wederpartij van Onze Minister de geteelde hennep binnen vier maanden na het oogsten uitsluitend aan hem verkoopt en aflevert en de overtollige hennep vernietigt.
5. Onze Minister is met uitsluiting van anderen bevoegd hennep, hasjiesj en hennepolie:
a. binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen;
b. te verkopen en af te leveren;
c. aanwezig te hebben, met uitzondering van de voorraden die worden beheerd door degenen die ontheffing hebben deze middelen te telen, te bewerken of te verwerken.
6. Het vijfde lid is niet van toepassing voor zover toepassingen van hennep, hasjiesj of hennepolie krachtens , zijn aangewezen. (zie: artikel 3c, eerste lid)
-
Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de ambtenaren van de Inspectie gezondheidszorg en jeugd.
-
Met het opsporen van de in deze wet strafbaar gestelde feiten zijn, onverminderd en , belast de ambtenaren, bedoeld in , en de ambtenaren van de rijksbelastingdienst, bevoegd inzake douane. (zie: artikel 8j, artikel 141, artikel 142, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering)
-
1. De opsporingsambtenaren, bedoeld in , hebben, voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van hun taak nodig is, toegang: (zie: artikel 8k)
a. tot de vervoermiddelen, met inbegrip van woongedeelten, waarvan hun bekend is, of waarvan redelijkerwijze door hen kan worden vermoed, dat daarmede ingevoerd of vervoerd worden of dat daarin, daarop of daaraan bewaard worden of aanwezig zijn middelen als bedoeld in of of substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in of de preparaten daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in ; (zie: lijst I, II, lijst IA, artikel 2a, tweede lid)
b. tot de plaatsen, waar een overtreding van deze wet gepleegd wordt of waar redelijkerwijze vermoed kan worden, dat zodanige overtreding gepleegd wordt.
2. Zij zijn bevoegd een persoon, verdacht van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, bij het bestaan van ernstige bezwaren tegen deze, aan de kleding te onderzoeken.
3. Zij zijn te allen tijde bevoegd tot inbeslagneming van daarvoor vatbare voorwerpen. Zij kunnen daartoe hun uitlevering vorderen.
4. De officier van justitie of de hulpofficier van justitie voor wie de verdachte wordt geleid of die zelf de verdachte heeft aangehouden is bevoegd een persoon die zojuist binnen het grondgebied van Nederland is binnengekomen of die op het punt staat dit grondgebied te verlaten, en die is aangehouden terzake van een bij deze wet als misdrijf strafbaar gesteld feit, een vordering te geven tot medewerking aan een urineonderzoek, gericht op het aantonen van de aanwezigheid in het lichaam van middelen als bedoeld in of of substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in of de preparaten daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in . (zie: lijst I, II, lijst IA, artikel 2a, tweede lid)
5. Onze Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is bevoegd desgevraagd met gebruikmaking van de door landbouwers op grond van de en verstrekte informatie over de toestand van de door hen beteelde percelen en de naam van het gewas waarmee het perceel zal worden beteeld, gegevens waaronder persoonsgegevens te verstrekken met betrekking tot hennepteelt welke is aangewezen krachtens aan de opsporingsambtenaren, bedoeld in de en , ten behoeve van de opsporing van de bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten. (zie: artikel 3c, artikelen 24, 25 van de Landbouwwet, artikelen 141, 142, eerste lid, aanhef en onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering)
-
1. In geval van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, kunnen voorwerpen inbeslaggenomen worden die kunnen dienen tot bewaring van het recht tot verhaal voor een ter zake van dat misdrijf op te leggen maatregel als bedoeld in . (zie: artikel 13d)
2. Op inbeslagneming op grond van het eerste lid zijn de bepalingen uit het die betrekking hebben op inbeslagneming op grond van van dat wetboek, van overeenkomstige toepassing. (zie: Wetboek van Strafvordering, artikel 94a)
-
Onze Minister is bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 33 500,– op te leggen ter zake van een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens , , of . (zie: artikel 3c, 4, eerste of tweede lid, 5, eerste lid)
-
1. Hij die handelt in strijd met:
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie.
a. een in , het in , of een in , gegeven verbod; (zie: artikel 2, artikel 3b, eerste lid, artikel 4, derde lid)
b. een krachtens , of , gegeven voorschrift; (zie: artikel 3c, tweede lid, artikel 4, eerste of tweede lid)
c. een krachtens , aan een ontheffing verbonden voorschrift; (zie: artikel 8a, eerste lid)
2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in , of het in , gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 3b, eerste lid, artikel 4, derde lid)
3. Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in , gegeven verbod wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 2 onder C)
4. Hij die opzettelijk handelt in strijd met het in , gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 2 onder B of D)
5. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in , gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twaalf jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 2 onder A)
6. Indien het feit, bedoeld in het tweede, derde onderscheidenlijk vijfde lid, betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, wordt gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de derde categorie opgelegd.
-
1. Hij die om een feit, bedoeld in het , voor te bereiden of te bevorderen: (zie: vierde of vijfde lid van artikel 10)
wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie.
1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
2. Niet strafbaar is hij die de in het eerste lid omschreven feiten begaat met betrekking tot het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik.
-
1. Hij die handelt in strijd met een in , gegeven verbod wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de derde categorie. (zie: artikel 2a, eerste lid)
2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in , gegeven verbod wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 2a, eerste lid)
3. Indien het opzettelijk handelen in strijd met het in de , en , gegeven verbod betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van de derde categorie opgelegd. (zie: artikelen 2a, eerste lid, onderdelen A of C, 3b, eerste lid)
-
1. Hij die om het opzettelijk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren of vervaardigen van een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij deze wet behorende of een preparaat daarvan voor te bereiden of te bevorderen: (zie: lijst IA)
1°. een ander tracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen,
2°. zich of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit tracht te verschaffen,
3°. voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaren of geldboete van de vijfde categorie.
2. Niet strafbaar is hij die de in het eerste lid omschreven feiten begaat met betrekking tot het binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik.
-
1. Hij die handelt in strijd met een in gegeven verbod, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie. (zie: artikel 3)
2. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in , gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 3 onder B, C of D)
3. Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelt in strijd met een in , gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 3, onder B)
4. Hij die opzettelijk handelt in strijd met een in , gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 3 onder A)
5. Indien een feit als bedoeld in het tweede of vierde lid, betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel, wordt gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vijfde categorie opgelegd. Onder grote hoeveelheid wordt verstaan een hoeveelheid die meer bedraagt dan de bij algemene maatregel van bestuur bepaalde hoeveelheid van een middel.
6. Het tweede lid is niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een hoeveelheid van hennep of hasjiesj van ten hoogste 30 gram.
7. Het tweede en vierde lid zijn niet van toepassing, indien het feit betrekking heeft op een geringe hoeveelheid, bestemd voor eigen gebruik, van de in vermelde middelen, met uitzondering van hennep en hasjiesj. (zie: lijst II)
-
Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in , strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 11, derde en vijfde lid)
-
1. Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in , , , , , of , wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie. (zie: artikel 10, derde, vierde en vijfde lid, 10a, eerste lid, 10b, tweede lid, 10c, 11, derde, vierde en vijfde lid, 11a)
2. is van overeenkomstige toepassing. (zie: Artikel 140, vierde en vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht)
-
Indien de waarde van de zaken waarmee of met betrekking tot welke de feiten, strafbaar gesteld in de , , , , , en zijn begaan, of die geheel of gedeeltelijk door middel van die feiten zijn verkregen, hoger is dan het vierde gedeelte van het maximum van de geldboete op die feiten gesteld, kan, ook indien het feit door een natuurlijke persoon is begaan, een geldboete van de naast hogere categorie worden opgelegd. (zie: artikelen 10, eerste tot en met vijfde lid, 10a eerste lid, 10b, 10c, 11, tweede tot en met vijfde lid, 11a, 11b)
-
1. De in , , en , strafbaar gestelde feiten zijn overtredingen. (zie: artikel 10, eerste lid, 10b, eerste lid, artikel 11, eerste lid)
2. De in de , , , , , en strafbaar gestelde feiten zijn misdrijven. (zie: artikelen 10, tweede tot en met zesde lid, 10a, eerste lid, 10b, tweede lid, 10c, 11, tweede tot en met vijfde lid, 11a, 11b)
3. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op ieder die zich buiten Nederland schuldig maakt aan:
a. een der in , strafbaar gestelde feiten voorzover die zijn gepleegd om het in , strafbaar gestelde feit voor te bereiden of te bevorderen, dan wel (zie: artikel 10a, eerste lid, artikel 10, vijfde lid)
b. poging tot of deelneming aan het in , strafbaar gestelde feit. (zie: artikel 10, vijfde lid)
4. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op een der in , , , , , en strafbaar gestelde feiten, indien het feit is gepleegd aan boord van een buitenlands vaartuig dan wel een vaartuig zonder nationaliteit of een daarmee gelijk gesteld vaartuig uit hoofde van het internationale recht, op open zee, en wordt opgetreden in het kader van de toepassing van het Verdrag ter uitvoering van artikel 17 van het Verdrag tegen sluikhandel. (zie: artikel 10, tweede tot en met vijfde lid, artikel 10a eerste lid, 10b, tweede lid, 10c, artikel 11, tweede tot en met vierde lid, artikel 11a)
-
1. Onverminderd het bepaalde in de en en worden de in of bedoelde middelen of substanties die deel uitmaken van een stofgroep als bedoeld in of de preparaten daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in , verbeurd of aan het verkeer onttrokken verklaard. (zie: lijst I, II, lijst IA, artikel 2a, tweede lid, artikelen 33 tot en met 34, 36b tot en met 36d van het Wetboek van Strafrecht, artikel 6:1:12 van het Wetboek van Strafvordering)
2. Ontzetting van de in , vermelde rechten kan worden uitgesproken bij veroordeling wegens een der in de , , , en , omschreven misdrijven en de schuldige kan worden ontzet van de uitoefening van het beroep waarin hij het misdrijf heeft gepleegd. (zie: artikelen 10, tweede tot en met vijfde lid,, 10a, eerste lid, 10b, tweede lid, 11, derde tot en met vijfde lid, 11b, eerste lid, artikel 28, eerste lid, onder 1°, 2° en 4°, van het Wetboek van Strafrecht)
-
1. De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in een woning of lokaal of op een daarbij behorend erf:
a. een middel als bedoeld in of dan wel aangewezen krachtens , of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in of een preparaat daarvan, met uitzondering van de middelen bedoeld in , wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is; (zie: lijst I, II, artikel 3a, vijfde lid, lijst IA, artikel 2a, tweede lid)
b. een voorwerp of stof als bedoeld in , , of voorhanden is. (zie: artikel 10a, eerste lid, onder 3°, artikel 10c, eerste lid, onder 3°, artikel 11a)
2. Het eerste lid is niet van toepassing indien woningen, lokalen of erven als bedoeld in het eerste lid, gebruikt worden ter uitoefening van de artsenijbereidkunst, de geneeskunst, de tandheelkunst of de diergeneeskunde door onderscheidenlijk apothekers, artsen, tandartsen of dierenartsen.
-
-
1. Op vordering van het openbaar ministerie kan de rechter bepalen dat aan degene die is veroordeeld wegens een feit strafbaar gesteld in de , , , of , de verplichting wordt opgelegd tot het vergoeden van de kosten die ten laste van de staat komen in verband met de vernietiging van voorwerpen die ernstig gevaar opleveren voor de leefomgeving of voor de volksgezondheid en ten aanzien waarvan: (zie: artikelen 10, 10a, eerste lid, 11, eerste tot en met vijfde lid, 11a, 11b)
a. de maatregel, bedoeld in , wordt opgelegd; (zie: artikel 36b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht)
b. de maatregel, bedoeld in , had kunnen worden opgelegd maar waarvan door de veroordeelde afstand is gedaan op de wijze, bedoeld in ; of (zie: artikel 36b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, artikel 116, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van het Wetboek van Strafvordering)
c. een machtiging tot vernietiging als bedoeld in , is verleend voor zover het voorwerpen betreft die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. (zie: artikel 117, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering)
2. De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen dan de kosten, bedoeld in het eerste lid. is van overeenkomstige toepassing. (zie: Artikel 36e, vijfde lid, vijfde en zesde volzin, van het Wetboek van Strafrecht)
3. De tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, geschiedt op de wijze van tenuitvoerlegging van de maatregel, bedoeld in . (zie: artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht)
-
Deze wet kan worden aangehaald onder de titel "Opiumwet".
-
Deze wet treedt in werking met ingang van een door Ons te bepalen dag.
Op dat tijdstip vervalt de wet van 4 oktober 1919, nr. 592, houdende vaststelling van bepalingen, betreffende het opium en andere verdovende middelen, zoals deze wet gewijzigd is bij de wet van 29 juni 1925, nr. 308.